De spijsvertering
In het spijsverteringsstelsel wordt het voedsel verteerd zodat het opgenomen kan worden in het lichaam. Tijdens deze weg wordt het voedsel afgebroken tot stoffen met geringe moleculaire grootte zodat zij door de darmwand kunnen dringen. Stoffen die in een onverteerbaar jasje zijn opgelost blijven dus buiten het lichaam. De wand van het spijsverteringskanaal bestaat uit epitheel (de grenslaag van de buitenwereld) en een aantal lagen waar onder andere spierweefsel in zit. Die epitheellaag bestaat voor het grootste gedeelte uit cellen die slijm, enzymen en andere stoffen produceren.
In de mond vinden de eerste mechanische en chemische bewerkingen plaats van het voedsel. Het voedsel wordt gekauwd en bewerkt tot kleinere delen die vervoerd kunnen worden door de slokdarm. Verder wordt er speeksel aan toegevoegd waarin een enzym zit (amylase) dat zetmeel omzet in suiker.
Na het slikken komt de spijsbrok in de slokdarm, waar deze getransporteerd wordt door peristaltische beweging. Een beweging van samentrekkende spieren in de slokdarmwand.
Hierna komt de maag aan de beurt. De maag is een opslagruimte voor voedsel. De pylorus of portier aan het eind van de maag laat kleine beetjes voedsel door nadat het in de maag bewerkt is. De doorstroming van voedsel naar de 12-vingerige darm is afhankelijk van het voedsel. Normaal blijft het voedsel gemiddeld 3 uur in de maag; is het voedsel vetrijk dan kan dat oplopen tot 5 uur. De maag gebruikt erg veel van onze energie als deze aan het werk is. Het is daarom ook af te raden intensief de sauna te gebruiken binnen drie uur na een flinke maaltijd. De maag ligt onder het diafragma of middenrif en dus ook achter de ribben, dus niet achter de navel zoals veel mensen denken. De bewerking die de maag uitvoert op voedsel is indrukwekkend. In de eerste plaats maakt de maag het voedsel steriel. In de maagwand bevindt zich maagzuur ; een mengsel van zoutzuur en enzymen. Deze vloeistof is sterk genoeg om vlees te kunnen oplossen maar ook om bacteriën te doden. Het maagzuur is zelfs zo sterk dat de maagwand zichzelf zou kunnen beschadigen. Ter bescherming ligt er een laag slijm (het maagslijmvlies).
Voorts gaat de spijsbrok de 12-vingerige-darm in. Deze wordt zo genoemd omdat de lengte van 12 vingers de lengte van dit stuk darm heeft, namelijk ongeveer 20 centimeter. Dit deel is van belang als transportorgaan en als orgaan waar belangrijke kanalen van de alvleesklier en de galblaas in uitmonden.
Vanuit de 12-vingerige darm komt de brok aan in de dunne-darm.
Hieraan gekoppeld zit de alvleesklier. De alvleesklier (pancreas) maakt hormonen en stoffen voor de spijsvertering. Per dag wordt ongeveer een liter alvleessap geloosd in de 12-vingerige darm. Dit sap bevat de belangrijke stof natrium-bicarbonaat die het zoutzuur uit de maag neutraliseert voordat het de dunne darm in gaat. Voorts vindt men in het alvleessap enzymen die zetmeel, vetten en eiwitten verteren (amylase, trypsine en lipase). De alvleessapafscheiding wordt ook door hormonen gereguleerd.
Ook de lever komt hier in het spel. De lever of hepar is na de huid het grootste orgaan van het menselijk lichaam en ligt rechts onder het middenrif. Een van de vele functies van de lever is de productie van gal. Gal komt na opslag in de galblaas terecht in de 12-vingerige darm waar het zorgt voor verdeling van het vet in kleine bolletjes. Eigenlijk is gal een afvalstof die nuttig gebruikt wordt bij de vertering; het bestaat namelijk uit een overblijfsel van afgestorven rode bloedlichaampjes. De lever is ook voor andere processen van belang. Het slaat bijvoorbeeld suiker (glucose) op in de vorm van dierlijk zetmeel (glycogeen). De mens heeft daardoor een reservehoeveelheid energie die verbrand kan worden op een moment dat we extra energie nodig hebben. De lever is ook een vitamineopslagplaats. Een andere functie is de ontgiftiging van lichaamsvreemde stoffen. Deze stoffen worden omgezet in stoffen die de nieren kunnen verwerken.
Na deze kleine afdwaling komen we dan toch aan in de dunne darm. Deze loopt kronkelig in de buik en heeft een lengte van ongeveer 6 meter. Het dunnedarmsap zet de in de 12-vingerige darm ingezette vertering van zetmeel, eiwitten en vetten voort, zodat zij via de wand van de dunne darm opgenomen kunnen worden in het bloed. Dit proces heet resorptie. Resorptie verloop[t in de dunne darm uitstekend doordat de darm erg beweeglijk en een zeer groot oppervlak heeft. Dit oppervlak wordt nog groter door de darmvlokken aan de binnenzijde van de dunne darm. Darmvlokken (villi) zijn vingerachtige uittrekseltjes die vol zitten met bloedvaatjes. De darmwand neemt niet alles op; de moleculen moeten klein genoeg zijn en soms worden grotere moleculen actief via de celwand getransporteerd. De niet bruikbare stoffen zoals bijvoorbeeld cellulose passeren de darmwand niet en worden vervoerd naar de dikke darm.
Hier tussen hangt de blindedarm (caecum) rechts onder in de buik. Bij mensen heeft het bij de vertering weinig betekenis. Onder de blinde darm hangt het wormvormig aanhangsel (appendix).
De dikke darm loopt vanaf de uitmonding van de dunne darm eerst naar boven, via links naar beneden om via de endeldarm (rectum) de anus te bereiken. De dikke darm onttrekt water aan de spijsmassa en dikt deze dus in. In de dikke darm bevinden zich diverse bacteriën. Een daarvan is de coli-bacterie, die enerzijds kan worden gebruikt wordt als referentie bacterie door het laboratorium onderzoek van uw zwembadwater (in de ‘nieuwe wet 2000’ geen verplichte parameter meer), anderzijds leeft die in symbiose met de mens. Dat wil zeggen dat de mens niet zonder de coli-bacterie kan leven en de coli-bacterie maar kort zonder mens. De coli-bacterie heeft ons afval nodig omdat deze vitamine K bevat.
.