De huid
Het menselijke lichaam bestaat uit een onnoemelijk groot aantal cellen (vele biljoenen). Het lichaam is als het ware een kolonie van cellen. Elke cel beschikt over enige levenseigenschappen. Een cel is een levend wezen; zij neemt stoffen op uit de omgeving waarin zij voorkomt en geeft er weer stoffen aan af. Dit proces heet stofwisseling. De opgenomen stoffen worden in de cel ontleed, ten dele gebruikt voor celopbouw en groei, ten dele om als reserve te worden opgeslagen. De cel heeft hiervoor energie nodig; deze wordt gehaald uit de opgenomen voedingsstoffen. Voor de omzetting in energie is zuurstof nodig. De cel krijgt deze zuurstof door zogenaamde 'celademhaling'. Hierbij wordt zuurstof opgenomen en kooldioxide afgegeven. Met de vrijgekomen energie kan de cel arbeid verrichten.
De cel reageert op prikkels van buiten af met of beweging het zij een bepaalde stof af te scheiden.
Ten slotte kan een cel zich vermenigvuldigen door middel van deling.
Heeft men nu een groep cellen met een zelfde functie en bouw, dan spreekt men van weefsel. Een aantal weefsels kan samen een orgaan vormen.
De opperhuid
De huid ligt aan de oppervlakte en is daarom duidelijk zichtbaar. De buitenste laag van de huid die wij kunnen waarnemen is een deel van de epidermis (opperhuid; epi is op en dermis is huid), namelijk de hoornlaag. Deze laag bestaat uit dood materiaal dat ontstaat doordat onderliggende cellen afsterven. Bij eeltvorming is deze laag sterk uitgebreid.
De huidcel ontwikkelt zich van binnen naar buiten. Zij wordt als het ware geboren in de basaalmembraam, de binnenste laag van de epidermis. Zij groeit vervolgens in de slijmlaag en blijft in de hoornlaag als dode stof beschermend functioneren. Tijdens het afsterven van de cellen wordt de stof keratine gevormd die de huid ondoordringbaar voor water maakt. Na het weken in een (zwem)bad dringt het water toch door de huid en wordt deze rimpelig. Voorts is deze stevige hoornachtige stof keratine sterk aanwezig in nagels en haren. Op plaatsen waar de huid zacht is (bij de lichaamsopeningen) is weinig keratine aanwezig. Vaak is er dan een bescherming door slijmvliezen, zoals in de neus of vagina.
In de onderste laag van de opperhuid zitten bruine korreltjes pigment, ook wel melanine genoemd. Deze stof wordt gemaakt door speciale cellen: melanocyten. De melanocyt wordt geactiveerd door ultraviolet licht, waardoor meer melanine in de huid komt en we er bruiner uitzien. Het productieve vermogen van een melanocyt bij een neger is hoger dan bij een blanke, wat resulteert in een opvallend huidskleurverschil. Dit verschil is er omdat te veel ultraviolet licht schadelijk kan zijn. Van oorsprong woonden mensen met donkere huiden meer rond de evenaar en de blanke mensen meer in de gebieden met minder zonlicht. Als een soort bescherming wordt melanine gevormd om zonlicht tegen te houden. Onze huid bezit nog wel enige aanpassing, maar tot op zekere hoogte. Een blanke die naar zonnige oorden verhuist, heeft minder bescherming. Huidkanker komt bij blanken in die gebieden relatief veel voor. Ook donkere mensen die naar Nederland komen kunnen problemen krijgen. Een donkere huid laat weinig ultraviolet licht door. Huidcellen absorberen dit ultraviolet licht normaal gesproken om vitamine D te vormen. Er ontstaat dan een vitamine D tekort. Dit vitamine is nodig voor de vorming van bot. Dus hoe raar het ook mag klinken, een neger bij u op de zonnebank is zo gek nog niet.
De Lederhuid
Onder de basaalmembraan, de onderste laag van de opperhuid, ligt de lederhuid of subdermis. Deze laag bevat een grote hoeveelheid bloedvaten en zenuwen, drie miljoen zweetklieren, de haarzakjes en talgkliertjes. De lederhuid speelt een grote rol bij de temperatuurregulatie. Zoals bekend is onze lichaamstemperatuur 37 graden Celsius. Om het lichaam op deze temperatuur te houden vinden veel processen plaats. Deze temperatuur van 37 graden geldt overigens maar voor een deel van ons lichaam; de kern. Deze kern beslaat het inwendige deel van de romp en het hoofd. De echte inwendige lichaamstemperatuur is daarom het meest betrouwbaar in de kern te meten, bijvoorbeeld rectaal. Onder de oksel wordt ook wel de lichaamstemperatuur bepaald, dit is echter niet de juiste kerntemperatuur. We meten dan in de schil van ons lichaam. Deze schil is onder andere de huid en de ledematen. Hoe verder men van de kern verwijderd is, des te meer kan de temperatuur afwijken van de "normale" 37 graden.
Ons lichaam bevat zintuigen die afwijkingen in de temperatuur registreren: thermosensoren. Er zijn centrale en perifere thermosensoren. De centrale thermosensor bevindt zich in de hypothalamus die in het midden van het hoofd ligt.
Een stukje van de hypothalamus wordt geprikkeld wanneer er "koud" bloed langs stroomt, een ander gedeelte wanneer er "warm" bloed langs stroomt. Deze prikkeling veroorzaakt een vaatvernauwing of vaatverwijding in de huid.
De perifere thermosensoren liggen in de huid. Ook hier zijn koude- en warmtesensoren. De koudesensoren worden geprikkeld wanneer de huid afkoelt, de warmtesensoren reageren op een temperatuurtoename. Naast reactie op temperatuurverandering geven ze ook informatie over de bestaande constante temperatuur. De koudesensoren registreren een constante temperatuur van 18 tot 35 graden Celsius en de warmtesensoren van 30 tot 47 graden Celsius. Beneden 25 graden Celsius geven de koudesensoren niet meer een constante temperatuur aan, maar alleen de gewaarwording koud. Wel kunnen nog temperatuurverschillen worden geregistreerd. Iemand die in water zwemt van 18 graden voelt dat het koud is, maar niet dat dit kouder is dan water van 20 graden, tenzij plotseling de watertemperatuur verandert, bijvoorbeeld doordat men tijdens het zwemmen in koude of warme stromingen komt. Boven de 45 graden reageren de koude sensoren ook weer, vandaar dat soms bij een heet (bubbel)bad een 'koude-sensatie' kan ontstaan.
Zowel in de schil als in de kern worden dus temperaturen waargenomen.
Bij een lage omgevingstemperatuur (minder dan 30 graden) is er een gevaar voor onderkoeling van het lichaam. Er treedt daarom vasoconstrictie op, dat wil zeggen dat de bloedvaten in de huid vernauwen, waardoor er minder warmte uitwisseling met de omgeving plaatsvindt. voorts zien we het verschijnsel kippenvel optreden. Doordat spiertjes die gehecht zijn aan de haartjes samentrekken, wordt het haartje rechtop gezet en bolt de huid iets op rond de haar. Bij dieren vergroot dit rechtopstaan van de haren het isolerend vermogen, doordat de luchtlaag in de vacht isolerend gaat werken, maar bij mensen is nauwelijks meer van belang.
Wel belangrijk is de schildklier. Bij grote koude prikkelt de hypothalamus de hypofyse (hersenaanhangsel) die het hormoon TSH maakt. Dit hormoon zorgt ervoor dat de schildklier harder gaat werken, met als gevolg een hogere activiteit in de cellen van ons lichaam. De kachel wordt als het ware harder opgestookt zodat meer warmte vrijkomt. Rillen en klappertanden zijn processen die ook zorgen voor meer warmteproductie.
Aan handen en voeten verandert de bloedsomloop bij koude invloeden. De huid wordt minder doorbloed, de circulatie vindt plaats in de diepere bloedvaten. Dit heeft tot gevolg dat de warmte beter in het lichaam blijft.
Bij een hoge omgevingstemperatuur treedt vasodilatatie (vaatverwijding) op, er kan nu meer warmte-uitwisseling plaatsvinden. Vaak is echter het temperatuursverschil tussen de omgeving en de huid te klein om het lichaam voldoende te laten afkoelen. De zweetkliertjes worden dan (boven de 30 graden) geprikkeld tot zweetproductie. De verdamping van dit zweet onttrekt energie aan de huid en daardoor koelt de huid af. In het algemeen heeft iedereen een eigen kenmerkende kerntemperatuur waarboven de zweetsecretie sterk op gang komt. Voor vrouwen ligt het startpunt voor zweten gemiddeld hoger dan voor mannen, dat wil zeggen: vrouwen transpireren minder snel dan mannen.
Wanneer we zweten verliezen we vocht en zouten. Het zweet bevat echter minder zouten dan de lichaamsvloeistof. We verliezen dus meer vocht dan zout. Het lichaam wordt relatief dan ook steeds zouter waardoor het niet zinvol is om na zware inspanning of een saunaronde zout te eten want dan worden we nog zouter. Drinken van water of vruchtensap is dan zinvoller.
Zweet wordt rechtstreeks aan het bloed onttrokken en bestaat voor 99% uit water.
Een rustig niet gekleed mens ervaart een omgevingstemperatuur van 29-30 graden Celsius als prettig. Het ervaren van een prettige omgevingstemperatuur is sterk afhankelijk van de dikte van het onderhuidse vet.
Naast het reguleren van de temperatuur speelt de lederhuid een rol in talgproductie. Deze talg is een huidsmeer die de huid soepeler maakt en minder doorlaatbaar voor water. De talgklier, die talg produceert, komt uit in een haarzakje, via een kanaaltje dat wordt opengehouden door een haartje. Wanneer dit onvoldoende open gehouden wordt zien we 'jeugdpuistjes' ontstaan. Soms kan melanine in zo'n kanaaltje komen. Dit worden dan zogenaamde 'mee-eters'.
Onderhuids bindweefsel
Onder de huid ligt een laag onderhuids bindweefsel welke een isolerende functie heeft. In deze laag liggen onder andere vetcellen die kunnen groeien en het overtollige vet opslaan. De vrouw heeft gemiddeld meer onderhuids vetweefsel dan de man.
Samen met de huid gaan de vetcellen afkoeling tegen, maar ook een te grote verdamping van water. Ons lichaam bestaat voor het grootste gedeelte uit water en wij lopen dus de kans veel water te verdampen. Bij zeer regelmatig sauna gebruik zal dit teveel verdampen gecompenseerd moeten worden met het extra innemen van vocht.
.