De ademhaling
Het ademhalingsstelsel bestaat voor een belangrijk deel uit epitheel (dekweefsel). Een gegeven dat logisch is omdat epitheel de binnenwereld van het lichaam van de buitenwereld scheidt en de inhoud van de longen (lucht) is de buitenwereld. De inhoud van de long bevat dus alle stoffen die in de lucht ook aanwezig zijn. Wanneer stoffen als menthol, eucalyptus of formaline in de lucht en dus in de longen komen, breekt dit bijvoorbeeld de trilharen af die op een groot deel van het epitheel van het ademhalingsstelsel zitten. Dit is schadelijk omdat de trilharen een belangrijke functie vervullen. Trilharen zitten bijvoorbeeld in de neus, luchtpijp en bronchi. Die trilharen zijn aanwezig om een continue stroom van slijm met daarin schadelijke deeltjes uit de longen te bevorderen. In de mond wordt het slijm vervolgens verdampt of weggeslikt. Wanneer de hoeveelheid stof zo groot wordt dat de trilharen dit niet meer kunnen verplaatsen wordt dit geregistreerd en treedt de hoestreflex op. Bij inhalatie van bijvoorbeeld menthol en of eucalyptus registreren de trilharen minder tot niet en wordt de hoestreflex niet of laat opgewekt.
Wel vindt er een vaatverwijding plaats onder invloed van menthol en eucalyptus zodat er een grotere doorbloeding plaats vindt.
Een belangrijk deel van het ademhalingsstelsel is de neus. De ingeademde lucht passeert idealiter eerst dit orgaan. Er staat 'idealiter' omdat mondademhaling met de neus dicht ook mogelijk is. De neusademhaling is te prefereren.
De plaats waar luchtweg en de voedselbaan elkaar kruisen is de keel. De luchtweg loopt van de neusholte naar de luchtpijp. De spijsbrok hoort van de mondholte naar de slokdarm te gaan. Het strotteklepje zorgt ervoor dat er geen voedsel in de luchtpijp komt. Bij slikken duwt de tongrug dit klepje over de luchtpijp en sluit deze af. Soms, bijvoorbeeld bij praten tijdens het eten, mislukt dit en komt er voedsel in de luchtpijp.
In de keelholte liggen de keelamandelen en de neusamandelen die een rol spelen bij ons afweermechaniek.
Het strottehoofd staat in verbinding met de keelholte en de luchtpijp. Het is aan de buitenzijde bij mannen duidelijker zichtbaar dan bij vrouwen (adamsappel). Het is anatomisch een ingewikkelde samenstelling van banden, spiertjes, kraakbeen en membranen, die een belangrijke rol spelen bij de stemvorming. In het strottehoofd zitten twee stembanden, die hun spanning met behulp van spiertjes kunnen reguleren.
De luchtpijp verbindt het strottehoofd met de twee hoofdbronchi. Deze splitsen ieder takken af zodat vijf longlobben ontstaan: drie lobben rechts en twee lobben links. In de lobben splitsen de bronchien zich in steeds kleinere takjes. Deze vertakking lijkt op een boom, men spreekt dan ook wel van een brochiaalboom.
De bronchioli vertakken zich verder totdat de lucht in de aveoli of longblaasjes terecht komt. Van deze longblaasjes hebben we er meer dan 300 miljoen. Deze longblaasjes dienen ervoor het oppervlak zo groot mogelijk te maken. De totale oppervlakte moet dan ook zo groot zijn als een voetbalveld. De longblaasjes zijn met het blote oog niet waarneembaar. Elk longblaasje is omgeven door haarvaten (capillairen) die zo dun zijn dat er maar een rood bloedlichaampje doorheen kan. Dit bloed neemt in de longen zuurstof op en stoot kooldioxyde af. Van de inhoud van het longblaasje tot in het bloedvat de zuurstof en het kooldioxyde 0,001 mm afleggen. Deze gaswisseling met bloed vindt plaats door diffusie. Diffusie is het proces waarbij een stof zich verplaatst van een hogere naar een lagere concentratie. In de lucht in de longen zit veel zuurstof. In het bloed niet, dus diffundeert er zuurstof naar het bloed. De zuurstof verdeelt zich over de beschikbare ruimte en daartoe behoort ook het bloed. In het bloed bindt het rode bloedlichaampje deze stof en transporteert deze verder langs de bloedbaan. Er is dan weer ruimte beschikbaar om de zuurstof in te laten lopen.
Bij iedere inspiratie (inademing) wordt een hoeveelheid buitenlucht aan de lucht in de longen toegevoegd. Bij expiratie wordt een deel van de gemengde lucht weer uitgeademd. Om deze beweging mogelijk te maken bestaat de long uit veerkrachtig weefsel. Dit veerkrachtige weefsel brengt de long altijd weer in de ruststand terug.
Naast de veerkracht kan de long ook langs de binnenkant van een borstkaswand glijden doordat er twee vliezen (pleurae) liggen, waartussen zich vocht bevindt. De inademing komt tot stand doordat het middenrif (diafragma) actief samentrekt. Door de elasticiteit van de longen zal de lucht weer worden uitgedreven. Tussen de ribben bevinden zich ook spieren die van groot belang zijn voor de versteviging van de borstkas. Ze voorkomen dat de borstkas bij inademing naar binnen en bij uitademing naar buiten klapt.
.