Qualityfreaks
Vorige
pagina
E-mailadres: info@saunastudie.nl
Saunastudie
Auteursrecht
Erik Bierenbroodspot 
Disclaimer
Vraag?

 

 

 

Studiecentrum.
Saunagebruik.
Saunabedrijven.
Opleidingen.
Vacatures.
Leveranciers.
Adverteren.
Nieuwsbrief.
Weer & verkeer.
Contact.

Direct zoeken in saunastudie.nl met Google. Voer uw zoekwoord in:

Stel een vraag over sauna
Nieuws.
Sitemap.
Gastenboek.
Qualityfreaks.

Coaching & management

www.qualityfreaks.biz

 

Centraal bestelsysteem:

www.saunawebshop.com

 

Training & opleiding

www.wellnessprofs.nl

De ademhaling

Het ademha­lings­stelsel bestaat voor een belangrijk deel uit epi­theel (dek­wee­fsel). Een gege­ven dat logisch is omdat epitheel de binnenwe­reld van het lichaam van de buitenwe­reld scheidt en de inhoud van de longen (lucht) is de buiten­we­reld. De inhoud van de long bevat dus alle stof­fen die in de lucht ook aan­wezig zijn. Wanneer stoffen als menthol, euca­lyp­tus of formaline in de lucht en dus in de longen ko­men, breekt dit bijvoor­beeld de trilharen af die op een groot deel van het epitheel van het ademha­lings­stelsel zitten. Dit is schade­lijk omdat de trilharen een belangrijke functie vervul­len. Trilharen zitten bij­voor­beeld in de neus, luchtpijp en bronchi. Die trilharen zijn aanwezig om een continue stroom van slijm met daarin scha­delijke deeltjes uit de longen te bevor­deren. In de mond wordt het slijm vervolgens verdampt of weggeslikt. Wanneer de hoeveelheid stof zo groot wordt dat de tril­haren dit niet meer kunnen verplaatsen wordt dit gere­gistreerd en treedt de hoestreflex op. Bij inhalatie van bijvoorbeeld men­thol en of eucalyptus registreren de trilha­ren min­der tot niet en wordt de hoestreflex niet of laat op­gewekt.
Wel vindt er een vaatverwijding plaats onder invloed van menthol en eucalyptus zodat er een grotere doorbloeding plaats vindt.

Een belangrijk deel van het ademhalingsstelsel is de neus. De ingeademde lucht passeert idealiter eerst dit orgaan. Er staat 'idealiter' omdat mondademha­ling met de neus dicht ook moge­lijk is. De neusadem­haling is te pre­fereren.
De plaats waar luchtweg en de voedselbaan elkaar kruisen is de keel. De luchtweg loopt van de neus­holte naar de lucht­pijp. De spijsbrok hoort van de mondholte naar de slokdarm te gaan. Het strotte­klepje zorgt ervoor dat er geen voedsel in de lucht­pijp komt. Bij slikken duwt de tongrug dit klepje over de luchtpijp en sluit deze af. Soms, bijvoor­beeld bij praten tijdens het eten, mislukt dit en komt er voedsel in de lucht­pijp.
In de keelholte liggen de keelamandelen en de neu­saman­delen die een rol spelen bij ons afweermecha­niek.
Het strottehoofd staat in verbinding met de keelholte en de luchtpijp. Het is aan de buitenzijde bij mannen duide­lijker zichtbaar dan bij vrouwen (adamsappel). Het is anatomisch een ingewikkelde samenstelling van banden, spiertjes, kraak­been en membranen, die een belangrijke rol spelen bij de stemvorming. In het strottehoofd zitten twee stembanden, die hun span­ning met behulp van spier­tjes kunnen regule­ren.
De luchtpijp verbindt het strottehoofd met de twee hoofd­bronchi. Deze splitsen ieder takken af zodat vijf lon­glob­ben ont­staan: drie lobben rechts en twee lobben links. In de lobben splitsen de bronchien zich in steeds kleinere takjes. Deze vertakking lijkt op een boom, men spreekt dan ook wel van een brochi­aalboom.
De bronchioli vertak­ken zich verder totdat de lucht in de aveoli of longblaasjes terecht komt. Van deze longblaas­jes hebben we er meer dan 300 miljoen. Deze longblaasjes dienen ervoor het oppervlak zo groot mogelijk te maken. De totale oppervlakte moet dan ook zo groot zijn als een voetbalveld. De long­blaasjes zijn met het blote oog niet waarneembaar. Elk longblaasje is omgeven door haarvaten (capillai­ren) die zo dun zijn dat er maar een rood bloedli­chaampje doorheen kan. Dit bloed neemt in de longen zuurstof op en stoot kooldioxyde af. Van de inhoud van het longblaasje tot in het bloedvat de zuurstof en het kooldioxyde 0,001 mm afleg­gen. Deze gaswis­seling met bloed vindt plaats door diffu­sie. Diffusie is het proces waarbij een stof zich ver­plaatst van een hogere naar een lagere concentra­tie. In de lucht in de longen zit veel zuurstof. In het bloed niet, dus dif­fun­deert er zuurstof naar het bloed. De zuurstof verdeelt zich over de be­schikbare ruimte en daartoe behoort ook het bloed. In het bloed bindt het rode bloedlichaampje deze stof en trans­por­teert deze verder langs de bloed­baan. Er is dan weer ruimte beschikbaar om de zuurstof in te laten lopen.
Bij iedere inspiratie (inademing) wordt een hoeveel­heid buitenlucht aan de lucht in de longen toege­voegd. Bij expira­tie wordt een deel van de gemengde lucht weer uitgea­demd. Om deze beweging mogelijk te maken bestaat de long uit veerkrach­tig weefsel. Dit veerkrachtige weefsel brengt de long altijd weer in de ruststand terug.
Naast de veerkracht kan de long ook langs de binnenkant van een borstkas­wand glijden doordat er twee vliezen (pleurae) liggen, waartussen zich vocht bevindt. De in­ademing komt tot stand doordat het middenrif (diafragma) actief samen­trekt. Door de elasticiteit van de longen zal de lucht weer worden uitgedre­ven. Tussen de ribben bevinden zich ook spieren die van groot belang zijn voor de versteviging van de borstkas. Ze voorkomen dat de borstkas bij inademing naar binnen en bij uitademing naar buiten klapt.

.

De ademhaling